Madonna Mia
Rome, 17e eeuw: stad van pausen, paleizen en processies. Tussen barokke façades en verborgen tuinen arriveert in 1665 een koningin zonder rijk: Christina van Zweden. Ze laat kroon en troon achter om hier, in het hart van de katholieke wereld, een nieuw koninkrijk te stichten: het koninkrijk van de kunsten. Na haar troonsafstand en bekering tot het katholicisme groeit ze uit tot een van de invloedrijkste mecenassen van de stad. Haar Palazzo Ruspoli wordt een ontmoetingsplaats voor dichters, schilders en musici, een laboratorium waarin een hele eeuw zich vormt.
Rome is in de 17e eeuw ook de stad van de Mariaverering. Nog altijd staan er meer dan tachtig kerken die aan de Moeder Gods zijn gewijd. Maria is in het barokke Rome niet alleen een religieus symbool, maar ook een beeltenis van troost, hoop en bescherming. Antifonen als Salve Regina, Ave Regina caelorum en Alma Redemptoris Mater vormen de muzikale hartslag van de Mariaverering.
Maria en Christina van Zweden staan op geheimzinnige wijze naast elkaar: de een als koningin van de hemel, de ander als koningin zonder kroon, die in Rome haar geestelijke thuis vindt. Beide vrouwen zijn inspiratiebronnen en beide bepalen het artistieke klimaat waarin de muziek in dit programma ontstaat.
Giacomo Carissimi (1605–1674), een belangrijk referentiepunt voor Christina, werkt aan het Collegio Germanico in Rome. Deze jezuïetenschool geniet grote muzikale faam, die dankzij Carissimi alleen nog maar toeneemt. Componisten als Charpentier en Christoph Bernhard reizen naar Rome om bij hem te studeren. Carissimi's werken slaan een brug tussen de seconda pratica en nieuwe vormen als de cantate met aria's en recitatieven. In O dulcissimum Mariae nomen en Salve amor noster verandert hij woorden met gedurfde harmonieën in muziek en bereidt zo de weg naar de hoogbarok.
Iets jonger, maar in dezelfde traditie, staat Alessandro Melani (1639–1703). Zijn stijl is al diep in de hoogbarok geworteld en kenmerkt zich door duidelijke tekstdictie en melodische vindingrijkheid, zoals te horen in de motet Quae est ista. Melani is kapelmeester van de basiliek Santa Maria Maggiore, maar naast geestelijke muziek componeert hij ook opera's die in aanwezigheid van Christina worden uitgevoerd. Tijdens zijn leven is hij een productief en hooggewaardeerd componist met nauwe banden aan Europese hoven.
Als beschermvrouw ondersteunt Christina ook Alessandro Stradella (1643–1682) ruimhartig. Zij bedenkt zelfs de handeling voor een serenata die hij op muziek zet. Zijn bewogen leven vol intriges, affaires en omzwervingen inspireert later maar liefst vier opera's. Deze hartstocht klinkt ook in zijn muziek. De antifoon Ave regina caelorum wordt bij hem een klein geestelijk drama: contrastrijk, spannend, expressief – theatraal geladen, maar zonder de spirituele diepte te verliezen.
Bernardo Pasquini (1637–1710) geldt als een van de briljantste musici van zijn tijd – geroemd als klavecinist, organist en componist. Zijn variaties, opgedragen aan de diplomaat Kaunitz, zijn kunstige spelingen vol esprit en elegantie. Ook zijn opera's en geestelijke vocale werken brengen hem in het Rome van de jaren 1670 en '80 veel aanzien. Hij wordt lid van de Accademia dell'Arcadia – een kring van dichters en denkers, opgericht, hoe kan het anders, door Christina van Zweden. Pasquini is, net als Melani en later Scarlatti, verbonden aan Santa Maria Maggiore als organist.
Ten slotte behoort ook Alessandro Scarlatti (1660–1725), een generatie jonger, tot de door Christina gesteunde componisten. Hij legt de basis voor de Napolitaanse school en daarmee voor de late barok. In zijn Magnificat ontmoeten strenge contrapuntische lijnen de expressieve kracht van de opera. De tekst, een kernstuk van de Mariaverering, getuigt van geloof en verkondigt een revolutionair manifest van omwenteling en hoop.
- Ai Horton soprano
- Anna Bachleitner mezzo
- Iris Bouman alto
- Carlos Negrín tenor
- Bas Cornelissen bass
- Riccardo Casamichiela organ